Joh. 8:30-36
We komen nu bij een prachtige passage. Wat is de belangrijkste eigenschap van een christen? In vers 31 geeft Jezus het antwoord: “Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen.” Vele mensen weten iets van Jezus, andere mensen zijn als kind gedoopt, sommige mensen gaan naar de kerk en hebben belijdenis afgelegd. Zijn dat allemaal waarachtige discipelen van Jezus? Als ik u de vraag zou stellen, “ben jij een volgeling van Jezus? Ben jij een waarachtige discipel?”, wat zou dan uw antwoord zijn? Is het niet zo dat de meeste mensen zullen antwoorden dat ze proberen een christen te zijn, of ze zeggen dat ze gelovig zijn?
Paulus schrijft in 2 Kor. 13:5, “Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of weet u niet van uzelf dat Jezus Christus in u is?” Twee dingen vallen hier op. In de eerste plaats dat er niet staat ‘of u gelovig bent’, maar of u in “het” geloof bent. Daaruit kun je al aflezen, dat het niet er om gaat of iemand persoonlijk een houding van gelovigheid heeft aangenomen – dus religieus is, naar de kerk gaat, allerlei rituelen erop nahoudt, een wereldbeschouwing heeft waarin het bestaan van God een rol speelt et cetera. Het staat hier met een bepaald lidwoord. Het gaat om hét geloof. Dat heeft alles te maken met de waarheid, met kennis van het Woord. Het gaat niet om ons geloof, maar om “het geloof dat in Christus Jezus is.” ( 2 Tim. 3:15) In Hem is verankerd die Zelf de waarheid is.
Wie zich tegen de waarheid keert, de waarheid zoals de bijbel die leert, kan op allerlei manieren “gelovig” zijn. En toch zoals Paulus het noemt, “wat het geloof betreft, verwerpelijk” zijn. ( 2 Tim. 3:8) Op vele plaatsen zien we, dat het geloof en de leer – de samenvatting van het Bijbelse onderwijs – met elkaar samenhangen. Nog maar een tekst. Wanneer ben je een goed dienaar van Jezus Christus? Wanneer je gevoed wordt “door de woorden van het geloof en door de goede leer, die u nagevolgd hebt.” (1 Tim. 4:6) In 1 Tim. 4:3 staat het woord “gelovigen” volledig parallel aan de uitdrukking: “zij die de waarheid hebben leren kennen.” Een gelovige in Bijbelse zin is ook iemand die de leer omtrent Christus, de waarheid van het evangelie heeft leren kennen, die leeft vanuit de gezonde leer. Dat is de leer die je geestelijk gezond kan maken. (Zoals ook de “gezonde woorden van onze Heere Jezus Christus” in 1 Tim. 6:3 ons gezond máken.) Wat wij tegenwoordig onder “gelovig” verstaan heeft er eigenlijk niets mee te maken, dat is een ander woord geworden voor religieus.
Wat is dan “het” geloof? Een kort antwoord kun je alleen maar krijgen met een belijdenis, zoals je die ook vindt in de eerste brief aan Timotheüs. Daar heet ons persoonlijk geloof de “godsvrucht”. Dat is een houding waarin je je kunt oefenen. “Oefen uzelf in de godsvrucht”, zegt Paulus, want “de godsvrucht is nuttig voor alle dingen, omdat zij de belofte van het tegenwoordige en van het toekomende leven heeft.” (1 Tim. 4:7, 8) Een godvruchtig leven is een leven dat aan God is toegewijd, zodat de Geest van God in zo iemand werken kan. En dan zegt Paulus in 1 Tim. 3:16 dat een dergelijke godsvrucht gebaseerd is op een belijdenis. Het “geheim” van een dergelijke godsvrucht, van deze gelovige, toegewijde houding aan de waarheid omtrent God, kan zo worden samengevat: “God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in de Geest, is verschenen aan de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.” Maar dat is leer! Dat is belijdenis van de waarheid! Dat is dus niet een gelovige houding in het algemeen, maar dat is de erkenning van de inhoud van hét geloof. Daarom zou je van iemand kunnen zeggen dat hij “in het geloof” schipbreuk heeft geleden. (1 Tim. 1:19) Wanneer een gelovige de gezonde leer verwerpt, Gods Woord negeert, komt hij er toe om de waarheid te verwerpen. En dan is er nauwelijks nog een kans tot herstel, als wij “willens en wetens zondigen, nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben.” (Hebr. 10:26)
Het eerste dus waartoe Paulus ons oproept is om te beproeven niet of wij ‘gelovig’ zijn, maar of wij nog in hét geloof staan. Of wij nog met volle toewijding de waarheid die ons is overgeleverd en die in Gods Woord besloten ligt erkennen en dienen. En dat is heel iets anders dan het opbouwen van een religieuze wereldbeschouwing op grond van onze gelovigheid. Maar dan het tweede. Het antwoord dat Paulus verwacht, het positieve antwoord tenminste, luidt ongeveer zo: “ja, ik weet dat Jezus Christus in mij is.” Dat is die prachtige belofte waarover we al gelezen hebben in het zesde hoofdstuk van Johannes. Vers 56: “Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.” Het goede antwoord is dus ja, ik ben een deel van Hem, en Hij is door Zijn Geest in mij. En er zijn blijkbaar verschillende manieren om dat te zeggen. Je kunt zeggen “Christus leeft in mij.” Dat is zoals God Zelf het ziet. En je kunt ook een perspectief hebben op deze realiteit vanuit het aardse leven: “ik leef door het geloof in de Zoon van God.” (Vgl. Gal. 2:20) Leven in geloof en het leven van Christus in mij, zijn een en hetzelfde – en daarom is gelovigheid in het algemeen niet genoeg.
De ware discipel van Jezus heeft de Geest van Christus in zich. Diezelfde waarheid wordt in ons hoofdstuk in vers 31 bedoeld. “Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen.” Alleen als aan die voorwaarde is voldaan, mag je jezelf een gelovige, of een discipel van Jezus noemen, heb je het recht jezelf een christen te noemen. Een christen kan per definitie niet iemand zijn die ernaar strééft om christen te zijn, alsof dat een soort moreel niveau zou zijn. Je bent het of je bent het niet. En dat wordt niet bepaald door je eigen gelovigheid, je eigen ervaringen, of je eigen strevingen. Het klinkt sympathiek dat je probéért een christen te zijn. Maar als je dat nog probeert, dan ben je het strikt genomen niet. Christen is geen eretitel voor moreel hoogstaande mensen, maar een ander woord voor een zondaar die vergeving heeft ontvangen, een kind van God is geworden door de wedergeboorte, door het geloof een discipel van Jezus is geworden, en eigendom van Christus is geworden omdat Hij met Zijn bloed de losprijs heeft betaald. Wie zegt dat hij alleen nog maar probéért om een christen te zijn, negeert de waarheid, dat wij alleen christenen kunnen zijn omdat de Geest van God in ons woont. De realiteit van het christen zijn berust niet op onze eigen activiteit, maar op het werk van God zelf.
Wat betekent nu “in Mijn woord blijven”? Het gaat in de eerste plaats om het vleesgeworden Woord, de woorden die Hij gesproken heeft en ons door de apostelen van het eerste uur zijn doorgegeven. Het gaat zoals ik hierboven al zei altijd ook om de leer, en niet alleen maar om goed christelijk gedrag. De waarheid van het evangelie is van belang. Waarachtige discipelen zullen “de waarheid kennen, en de waarheid zal (hen) vrijmaken.” (Vers 32.)
Maar dat vergt ook volharding. Het tweede woord om hier nader te bekijken is het woord “blijven”. Je moet het huis van je leven bouwen op de rots – Mat. 724-27). Het Woord van Christus moet vallen in de goede, vruchtbare aarde – Mat. 13:8 – en dat betekent dat iemand het Woord hoort en begrijpt. (Mat. 13:23) Alleen dan heeft het vrucht, godsvrucht. Volgens de schrijver van de brief aan de hebreeën is daartoe niet alleen maar geloof nodig en daarom roept hij ons op: “laten wij met volharding de wedloop lopen die voor ons ligt.” (Heb. 12:1) en elders: “laten wij de belijdenis van de hoop onwrikbaar vasthouden.” (10:23) Er zullen altijd mensen zijn die schipbreuk lijden, die hét geloof verliezen, terwijl ze misschien toch een of andere eigenmachtige gelovigheid overhouden. Johannes oordeelt hard over hen: “Zij zijn uit ons midden weggegaan, maar zij waren niet uit ons; want als zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn.” (1 Joh. 2:19) Zo lezen we het ook in Johannes 14:15, “Als u Mij liefhebt, neem dan Mijn geboden in acht.” En met dezelfde uitdrukking “blijven” horen we ook in hoofdstuk 15:6, “Als iemand niet in Mij blijft, wordt hij buiten geworpen zoals de rank.” En dan nog de prachtige belofte in vers zeven van dat hoofdstuk: “Als u in Mij blijft en Mijn woorden in u blijven, vraag wat u maar wilt en het zal u ten deel vallen.” En dan gaat het niet alleen maar om de waarheid die wij voor onszelf houden, maar om een waarheid die wij durven uitspreken tegenover de wereld, die samenvat hoe wij in de wereld staan: “Al wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, God blijft in hem, en hij God.” (1 Joh. 4:15)
Kort samengevat: het kenmerk van een waarachtige discipel is niet de doop als kind, niet de belijdenis in het verleden, maar een voortdurende liefdevolle gehoorzaamheid aan Christus. “Wie zegt: Ik ken Hem,” wie zegt dat hij een christen is (of zegt dat hij probéért een christen te zijn) maar “Zijn geboden niet in acht neemt, is een leugenaar en in hem is de waarheid niet.” Wanneer we de liefde van God in ons hart voelen, ondanks het feit dat we nog vele fouten kunnen maken, als wij respect en eerbied hebben voor Gods Woord, als wij eerbied hebben voor de Heere Jezus Christus en proberen – dan is het woord op zijn plaats – de geboden van de Heere te gehoorzamen, dan mogen we zeggen dat wij een christen zijn. “Hierdoor weten wij (namelijk) dat wij in Hem zijn.” (1 Joh. 2:5)
Ziet u hoe hiermee heel ons kerkelijk gepraat wordt tegengesproken? Wat zeggen wij niet vaak van mensen die het evangelie in hun hart verworpen hebben en Christus niet kennen, dat het toch goede ‘christenen’ zijn omdat ze religieus bewogen zijn, goede daden doen en naar de kerk gaan? Wat zeggen wij niet vaak van mensen die niet langer naar de kerk gaan, dat ze dan toch in ieder geval thuis God kunnen dienen? (Terwijl de aanwezigheid in de eredienst een opdracht is in het Woord van God – “Laten wij de onderlinge bijeenkomst niet nalaten, zoals het bij sommigen de gewoonte is, maar elkaar aansporen.” – Hebr. 10:25) Zeggen wij niet vaak van mensen die ons hebben verlaten, dat het waarschijnlijk aan ons, aan de kerk, de predikant, en de eredienst gelegen heeft? Terwijl Johannes zegt, dat ze misschien wel nooit tot ons behoord hebben en geen levend en waarachtig geloof hebben gehad? En we maken ons wijs dat onze kinderen, die het geloof vaarwel hebben gezegd, op een andere wijze toch ook wel de titel ‘christenen’ kunnen meekrijgen, want ze hebben het goed geleerd in de kindernevendienst, ze bedoelen het goed, ach, het is alleen jammer dat ze zeggen dat ze niet in God geloven, maar misschien diep in hun hart etc. Maar Johannes is volstrekt duidelijk: wie geen ware christen is, is een valse christen, wie geen waarachtige discipel is, is een valse discipel. Wie het Woord van God verwerpt of negeert, wie Christus niet gehoorzaam wil zijn, wie niet erkent dat Jezus door Zijn Geest in hem woont, die is geen christen. Die heeft het evangelie gehoord en begrepen en afgewezen. En wij hebben het recht niet om iemands geweten te sussen door hem toch die naam te verlenen. Wij hebben de plicht om iemand erop te wijzen, dat zijn of haar gelovigheid er niet toe doet, en dat hij of zij het vlees van Jezus moet eten en het bloed van Jezus moet drinken, met andere woorden deel moet krijgen aan het sterven en de opstanding van Jezus. “Het vlees heeft geen enkel nut.” Ons aardse perspectief is hier van geen enkel belang.
Maar er is nog een andere tegenspraak tegen ons normale denken in deze woorden. “U zult de waarheid kennen.” Durven wij dat nog te zeggen? Kennen wij de geestelijke waarheid over God en de mens? Wij zeggen tegenwoordig al te makkelijk, dat iedereen een mening heeft. Niemand kan de waarheid kennen. We gebruiken de gelijkenis van de olifant die omringd is door blinden. Elk van hen heeft een ander idee wat het beest is; de een zegt het is een slang, de ander zegt het is een boomstam, enzovoorts. Niemand van deze blinden – en dat zijn wij allen – kent de hele waarheid, ieder van hen heeft maar een deel van de waarheid. Dan valt ook de waarheid van het evangelie weg en wordt tot een religieuze mening. En we zijn erop gericht om tolerant te zijn: ‘andere godsdiensten zijn ook waardevol, ieder moet maar in zijn eigen waarheid of religie blijven, hoe durft iemand te zeggen dat hij of zij de waarheid heeft?’ En als we heel vroom zijn dan zeggen we dat alleen God de waarheid kent. Sinds de 18e eeuw is onze cultuur doortrokken van wat we noemen het relativisme. Is de Islam de waarheid? Is het Jodendom de waarheid? En als die religies niet waar zijn maar bepaald door een cultuur, door een geschiedenis, door meningen van mensen, waaraan ontlenen wij dan het recht om het christendom de ware godsdienst te noemen? En is dat niet gevaarlijk omdat elke vorm van intolerantie tot geweld kan leiden? (Het christendom als religie is trouwens ook niet de waarheid. Het evangelie van Jezus Christus is waar, omdat Hij de waarheid is.)
Maar Jezus zegt tegen de Joden die in Hem geloven: “u zult de waarheid kennen.” Jezus is de weg en de waarheid en het leven. Zoals Paulus zegt in Efeze 4:21, dat “de waarheid in Jezus is.” Zoals Johannes zegt dat hij zich verblijdt over mensen “die in de waarheid wandelen, in overeenstemming met het gebod dat wij van de Vader ontvangen hebben.” ( 2 Joh. 4) En zoals Johannes ons oproept om medearbeiders van de waarheid te worden, in 3 Joh. 8. De Zoon van God is gekomen en was vol van “genade en waarheid.” En omdat niemand ooit God heeft gezien, is de Zoon van God gekomen, die ons God verklaard heeft. (Joh. 1:14, 18) En deze Zoon was het waarachtige licht dat niet alleen maar ons in de kerk, maar “ieder mens verlicht.” Niet alleen de kerk is het Zijne, maar heel de wereld is “door Hem ontstaan en de wereld heeft Hem niet gekend.” Alle andere pretentie van de waarheid, alle andere meningen, alle andere religies zijn een vorm van duisternis tegenover dit waarachtige licht. En wij worden opgeroepen om van die waarheid te getuigen, maar niet om haar in te ruilen voor het relativisme of pragmatisme van onze tijd. Waarin niemand meer durft te getuigen van de waarheid die ons is geschonken. Alles wat we zijn, zijn wij op grond van wat Christus voor ons heeft gedaan. En onze taak in de wereld is de taak die Christus ons gegeven heeft. Zoals God de Vader de Zoon in de wereld heeft gezonden, zo heeft Christus ook ons in de wereld gezonden, “om van de waarheid te getuigen.” En Hij heeft voor ons gebeden tot de Vader: “Heilig hen door Uw waarheid; Uw woord is de waarheid.” (Joh. 17:17, 18)
Wie in het woord van Christus blijft, is een waarachtige discipel en zal de waarheid kennen. En dan is er nog een tweede belofte. Vers 32: “de waarheid zal u vrijmaken.” Nu zegt Jezus dit tegen de “Joden die in Hem geloofden.” (Vers 31a) Ondanks hun geloof, komen ze nu toch met een tegenwerping. Zo kunnen mensen die in Jezus geloven toch nog met een tegenwerping komen, willen zij een beperking inbouwen of een reserve vasthouden. In dit geval, in vers 33, gaat het om hun eigen religieuze status. Ze zeggen tegen Jezus: “Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit slaaf van iemand geweest; hoe kunt U dan zeggen: U zult vrij worden?” Zij staan in de traditie die teruggaat op Abraham, het zijn kinderen van Abraham. In hun systeem van geloven wordt de verdienste van de voorvaderen aan de kinderen toegekend. Geestelijk kapitaal uit het verleden, waarvan zij nu de rente ontvangen. Zij hebben de wet, zij hebben de profeten, zij hebben de tempel, wat hebben zij nog meer nodig?
Mensen kunnen een beroep doen op het verleden, dat ze ooit gedoopt zijn, dat ze vroeger naar de kerk gingen, dat ze een bijbel in huis hebben ook al lezen ze er niet meer in. Of ze kunnen een beroep doen op hun eigen goedheid, ze hebben toch waarachtig geprobeerd om een christen te zijn, om een goed leven te leiden, om de naaste lief te hebben zoveel als maar in hun vermogen lag. Maar dan hebben ze de diepte van hun situatie toch niet voldoende gepeild. In vers 34 spreekt Jezus hun woorden tegen. Zij zeggen dat ze nooit slaaf van iemand geweest zijn, dat ze de bevrijding door de waarheid niet nodig hebben. Maar dan zegt Jezus: “Ieder die de zonde doet, is een slaaf van de zonde.” Hoe kunnen zij zeggen dat ze nooit slaaf van iemand geweest zijn? Ze leven onder de macht van de zonde, ze zijn van die macht nog niet bevrijd – alleen de Zoon kan hen van die macht vrijmaken. Op het moment dat hun geweten worden geraakt, komt hun geloof weer in moeilijkheden. Dit zijn dan Joden die in Hem geloven, dus geloven dat Hij de Messias is, de “Ik ben”. Maar als Hij dan zegt dat ze de verlossing uit de slavernij van de zonde nodig hebben, gaan ze protesteren. Ze willen niet horen dat Jezus tegen hen zegt, dat zij slaven zijn – “En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis”, zoals ook Ishmael niet in het huis kon blijven. Alleen de zoon – en dat is Jezus als de ware nakomeling van Izaak – kan er blijven. Het is dezelfde onderwijzing die ook Paulus heeft gegeven. Het gaat er niet om een nazaat van Abraham te zijn, het gaat erom om door geloof een kind van Abraham te zijn. Zoals Paulus schrijft: “begrijpt dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn.” (Gal. 3:6)
Maar dat is de belofte aan de waarachtige discipelen. Dat zij de waarachtige kinderen van Abraham zijn op grond van hun geloof, niet op grond van hun morele verdiensten. Dat ze de waarheid zullen kennen, en dat die waarheid ook hun bevrijding uit de macht van de zonde zal betekenen. Vers 36: “Als dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult u werkelijk vrij zijn.” Dat is de ware discipel. Bevrijd van de macht van de zonde, opgeroepen tot een voortdurende, liefdevolle gehoorzaamheid tegenover Christus. Vol kennis van de waarheid van het evangelie, iemand die nauwgezet acht geeft op het woord van Christus, op Gods woord. En die in gehoorzaamheid aan Christus van de waarheid durft te getuigen.