Christus is ons leven (2) – Kol. 3:16 – 4:1 – Bijbelbespreking Heemstede


D. De Nieuwe Mens in het Huis van de Gemeente – (3:16, 17)

De eerste twee verzen hebben in de eerste plaats betrekking op het leven van de gemeente. Het woord van Christus moet rijkelijk in ons wonen. Wat is dat woord? Ik denk dat we dan spreken over de Schrift als geheel, ook en wellicht vooral het Oude Testament. Heel de Schrift spreekt immers van Hem. “Alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen” (Luk. 24:44). Anderen zeggen dat het hier alleen gaat om het evangelie, dat wil zeggen de boodschap over Christus. Weer anderen zeggen dat het alleen gaat om het onderwijs van Christus, zoals de apostelen dat hebben vastgelegd.

Dat Woord van en over Christus moet in ons wonen, d.w.z. ons vervullen, ons hoofd en hart elke dag bezighouden. In de gemeente ervaren we dat woord bij het onderwijs in de waarheid die God heeft geopenbaard (terwijl u in alle wijsheid elkaar leert) maar ook in de aanmoediging (positief) en vermaning (negatief) waarmee we elkaar “terechtwijzen”. Het woord van Christus komt zo in onderwijs en vermaning tot zijn recht, en dat is in het kader van de eredienst – terwijl we psalmen, lofzangen en geestelijke liederen (zingen).

Het is ook interessant om te zien dat Paulus in de brief aan Efeze (Ef. 5:18, 19), waar hij spreekt over het vervuld worden met de Geest, ook nadrukkelijk over psalmen, lofzangen en geestelijke liederen spreekt. In dat gedeelte zegt hij “spreekt tot elkaar” hier noemt hij het leren en terechtwijzen. Zoals de Geest ons moet vervullen in Efeze 5, zo moet het Woord van Christus rijkelijk in ons wonen in Kolosse 3. In de tekst van Efeze 5 danken wij ten alle tijde voor alles, en in Kolosse 3 zingen wij in de genade (of in dankbaarheid) in onze harten voor God. Zo vullen deze beide verzen elkaar prachtig aan. Een belangrijke conclusie is, dat vervuld worden met de Geest niet een of andere spectaculaire en extatische ervaring is – zoals bij de Toronto Blessing, schudden en vallen en rondkronkelen op de grond en onverstaanbare klanken uitstoten – maar “gewoon” de ervaring van het lezen van Gods Woord en beseffen dat Hij Zelf door de Geest tot ons spreekt.

Het ligt voor de hand de “psalmen” hier te zien als de psalmen van het Oude Testament. Daarin zit wel degelijk onderwijs (van de Messiaanse Psalmen), maar ook vermaning. De Psalmen leren ons veel over de juiste houding die wij tegenover God hebben aan te nemen. De lofzangen zijn liederen die rechtstreeks God verheerlijken en aanspreken; de geestelijke liederen spreken over Hem en maken ons attent op Bijbelse waarheden. Het onderwijs en de lofzang horen bij elkaar wanneer het Woord van Christus in ons woont.

Zingen wij nu in de genade in ons hart voor God? – vers 16. Of zingen wij in dankbaarheid? Het eerste is het meest letterlijk vertaald zodat we kunnen zeggen: het is Gods genade dat wij zo mogen zingen en zo mogen onderwijzen. Namelijk dat wij werkelijk “voor God” mogen zingen. Sommigen zeggen dat we hier mogen vertalen met dankbaarheid, en dan zegt onze tekst ons met welke houding wij moeten zingen. We zingen uit dankbaarheid, om die dankbaarheid te tonen.

Paulus besluit dit gedeelte met een vers, dat als een algemeen beginsel van het christelijk leven kan worden beschouwd. Onze woorden en onze daden, alles wat we doen, moet gedaan worden in naam van de Heer Jezus. Dat wil zeggen op basis van Zijn gezag, dus in gehoorzaamheid aan Hem en Zijn Woord. En dan niet in een houding van zwaar plichtsbesef, maar opnieuw in dankbaarheid: “terwijl u God de Vader door Hem dankt.”

Nu staat er: “al wat u doet, in woord en werk“; wat is dan het werk waarover we hier spreken? Is het letterlijk alles wat wij doen? Douchen, eten koken, stofzuigen, boodschappen doen et cetera? Dat wordt normaal gesproken niet als “werk”gezien. “Werken” zijn significante daden van moreel of religieus karakter. Is het denkbaar dat hier heel letterlijk “alles” bedoeld wordt? Maar kun je letterlijk “alle dingen doen in de Naam van de Heer Jezus”?

Volgens 1 Kor. 10:31 kunnen wij wanneer wij eten en drinken en “hetzij dat u (ook maar) iets doet” dit alles doen “tot heerlijkheid van God.” Dat lijkt toch te betekenen dat wij letterlijk “alles” kunnen doen in Zijn Naam. De context maakt duidelijk dat het gaat om de dingen die wij doen die ook door anderen kunnen worden gezien. De zorg voor het eigen huishouden lijkt mij daarom een neutrale zaak te zijn. Het enige dat dan telt, is dat het gaat om op zich neutrale werkzaamheden die uiting geven aan de onderlinge zorg, die wel gedaan wordt in de Naam van Jezus. Romeinen 13:14 geeft dan ook een grens aan de uitdrukking “doet alles” wanneer Paulus zegt: “wijdt geen zorg aan het vlees om aan begeerten te voldoen.” Veel dingen die wij doen zijn neutraal, of je ze nou doet of nalaat, het heeft geen relatie tot Gods heerlijkheid. Het wordt pas problematisch als de zorg voor ons lichamelijke bestaan andere plichten en zorgen gaat overheersen. Daarom is het volgens mij niet letterlijk alles wat we doen zonder meer, maar wel alles wat wij doen in zoverre er een morele of geestelijke dimensie aan vast zit.

Toch is het goed om vast te houden aan het beginsel zoals Paulus het hier onder woorden brengt. Alles wat een christen doet, moet gedaan worden met de erkenning van het gezag van Jezus. Dat is, lijkt mij, de primaire betekenis. We kunnen hier ook denken aan een andere manier om het uit te leggen. Het zou kunnen betekenen dat alles wat wij doen in afhankelijkheid van de Heer moet worden gedaan. Het kan ook betekenen dat wij ons goed moeten realiseren dat wij te allen tijde ambassadeurs van Zijn Koninkrijk zijn. Belangrijk is het in dat verband om te beseffen dat het hier in de eerste plaats gaat om ons gedrag in de gemeente. De Naam van Christus verwijst immers naar Zijn gezag, maar ook naar Zijn persoon en de hele uitdrukking duidt zo iets aan als: “in de levenssfeer van de Here Jezus.” Al deze verschillende betekenissen spelen dus een rol.

E. Het Huisgezin van de Nieuwe Mens – (3:18-4:1)

In dit gedeelte laat Paulus zien wat de toepassing is van het algemene beginsel dat hij in vers 17 onder woorden heeft gebracht. Welke uitwerking heeft dat beginsel voor alles wat wij doen in verband met de positie die wij op aarde innemen, de “rol” die de Here ons heeft toebedeeld? Merk ook op dat het in deze passage steeds gaat om onze plichten en niet om onze rechten. Dat sluit uit dat wij plichten die de Here aan een ander oplegt, gaan opvatten als rechten die Hij ons gegeven zou hebben. We zullen nog zien dat elk van deze plichten ook een element van wederkerigheid heeft. De een heeft altijd de plicht om een ander de ruimte te geven om zijn of haar plicht te kunnen vervullen, maar de een heeft niet het recht om de ander te dwingen zijn of haar plicht te vervullen.

De relatie van vrouwen tot hun man

Een vrouw heeft tegenover haar echtgenoot maar één enkele plicht, en dat is de “onderschikking”, dat wil zeggen een houding die de rechten van zijn verantwoordelijkheid respecteert. Een vrouw moet in staat zijn, wanneer de verantwoordelijkheid van haar man in het geding is, de tweede plaats in te nemen. Dat heeft helemaal niets te maken met een recht van de man om over zijn gezin en zijn vrouw te heersen. Het gaat niet over het gezag dat de man over de vrouw heeft, maar over de verantwoordelijkheid die de man heeft voor hun gezamenlijke leven. Wanneer de verantwoordelijkheid van de man in het geding is, moet hij de ruimte krijgen om met gezag op te treden, en zijn vrouw moet hem daartoe de mogelijkheid geven. Zo ligt het voor de hand dat bij de keuze van een man voor het beroep dat hij uitoefent of van de plaats waar het gezin moet wonen, de vrouw zich moet schikken in de beslissingen van haar man – die in dit geval rechtstreeks uit zijn verantwoordelijkheden voortvloeien.

Daar kunnen we nog drie dingen aan toevoegen. In de eerste plaats is deze houding van de vrouw alleen mogelijk wanneer haar man inderdaad gezag uitoefent (beslissingen neemt) gemotiveerd door een onzelfzuchtige liefde. Wanneer zijn gezag dus voortkomt uit zijn besef van verantwoordelijkheid.

In de tweede plaats laat de grammaticale vorm van het werkwoord “weest onderdanig” zien dat deze onderschikking volledig vrijwillig is. Het is geen houding of plicht die door haar echtgenoot kan worden opgedrongen. Het uitgangspunt bij Paulus is dat een vrouw die haar man liefheeft, in het besef dat elk gezin, zoals elke andere institutie, iemand aan het roer zal moeten hebben, een toegewijde en waardige echtgenoot in dit opzicht steunen zal.

In de derde plaats zegt Paulus dat de vrouw aan haar man onderdanig moet zijn “zoals het betaamt in de Heer.” Het is geen natuurlijke en vanzelfsprekende ordening van het leven, die ook door niet-gelovigen kan worden ingezien. Het is een bijzondere opdracht van het christelijke leven waarvoor geldt dat vrouwen en mannen alles doen “in de naam van de Here Jezus.”

De relatie van echtgenoten tot hun vrouwen

Wat de man betreft spreekt Paulus over twee verantwoordelijkheden. In de eerste plaats is het hun belangrijkste plicht hun vrouwen lief te hebben. Je zou kunnen denken dat dat vooral aan mannen wordt gezegd, omdat zij de neiging hebben hun vrouwen niet lief te hebben. Maar dat vergt wel enige uitleg. Het Bijbelse woord liefhebben heeft altijd de bijbetekenis van actieve zorg. Liefhebben is een zaak van het hart, maar het hart in de Bijbel is de zetel van het praktische denken en van de wil. Niet van het gevoel, dat eerder in de nieren wordt gesitueerd. Bovendien, gevoelens kun je niet gebieden. Het gaat er dus om dat mannen de positieve plicht hebben om de liefde die zij voor hun vrouwen voelen – dat is verondersteld – ook om te zetten in praktische zorg en aandacht.

In een cultuur waarin vrouwen doorgaans werden gezien als “levende have”, als net iets meer dan het vee, was dit wel een revolutionaire gedachte. Paulus spreekt die gedachte niet rechtstreeks tegen, maar hij doet iets heel bijzonders. Hij accepteert de notie van de onderschikking van de vrouw en het gezag van de man. Maar hij geeft daar een draai aan, hij kwalificeert het nader, door de toepassing van het christelijk beginsel van wederkerige liefde (vandaar: “weest elkaar onderdanig in de eerbied voor Christus” – Efeze 5:21), en in het bijzonder het beginsel dat we alles moeten doen in de Naam van de Here Jezus Kol. 3:17).

De tweede verantwoordelijkheid is eenvoudig de opdracht, om geen verzuurde, geïrriteerde houding tegenover een vrouw aan te nemen. Het sluit sarcasme, minachtende woorden, en verder alles uit wat de vrouw kan ervaren als een onderdrukking, dat wil zeggen een afdwingen van haar onderschikking.

De relatie van kinderen tot hun ouders

Voor kinderen wordt dan het zwaardere woord gehoorzaamheid gebruikt – hier geen vrijwillige onderschikking. Kinderen hebben de plicht om opdrachten te horen en uit te voeren. Omdat het werkwoord in de tegenwoordige tijd staat, wordt ermee bedoeld dat deze gehoorzaamheid een gewoonte moet zijn, voortdurend moet worden uitgeoefend. Die gehoorzaamheid betreft alle dingen – en dat werkt prima als je kinderen opgroeien in een waarachtig christelijk gezin.

Ten tweede zegt hij dat deze gehoorzaamheid “welbehaaglijk in de Here” is. Waarom is dat zo? Omdat de gehoorzaamheid van de kinderen aan hun ouders niet afhankelijk is van toeval, of van het karakter van de ouders. Het is een onvoorwaardelijke plicht die berust op de relatie tussen ouders en kinderen op zichzelf. Het is goed en rechtvaardig zonder nadere voorwaarden. Wanneer mensen doen wat God in de orde van de schepping beoogd heeft, is het in een bijzondere mate welbehaaglijk voor Hem. In de gevallen en gefragmenteerde wereld waarin wij leven, is het niet vanzelfsprekend wanneer mensen zich onder Gods gezag stellen.

De plichten van ouders tegenover hun kinderen

Vers 21 lijkt alleen maar te spreken over de plichten van de vaders. Het is echter waarschijnlijk dat het woord “vaders” hier de bredere betekenis heeft van “ouders”. (Vergelijk Heb. 11:23, “Mozes […] drie maanden lang door zijn ouders verborgen.” Letterlijk staat daar dat Mozes door zijn “vaderen” verborgen werd.)

Ouders moeten hun kinderen niet met een onredelijke en excessieve uitoefening van het ouderlijk gezag verstikken. Een autoritaire houding wekt het verzet van kinderen op en leidt dan weer tot een nog zwaardere uitoefening van gezag. Door de kinderen op de huid te zitten, overmatig tot in detail te willen corrigeren, wordt de leefsfeer van de kinderen vergiftigd. Paulus zegt: “opdat zij niet moedeloos worden.” Wat de Here wil vermijden is, dat kinderen vreugdeloos zullen opgroeien. Juist in Kolosse waren er zoveel regeltjes voor het gedrag, dat niet alleen kinderen maar zelfs volwassenen het gevaar liepen moedeloos te worden.

De plichten van slaven tegenover hun heren

De institutie van de slavernij werd in de klassieke wereld gezien als een fundamentele noodzaak voor elke beschaafde samenleving. Meer dan de helft van alle mensen in Rome was een slaaf. Dat was ook de status van de meerderheid van leraren en artsen, en van alle handarbeiders en timmerlui. Slaven waren bezit van hun meesters, mensen zonder rechten, die alleen maar in leven werden gelaten om hun eigenaren te behagen. Slaven worden hier genoemd omdat ze in de klassieke wereld gezien werden als een deel van de huishouding – misschien wel op de manier waarop nu een koelkast en een stofzuiger een deel van de huishouding zijn.

Het is opvallend dat de apostelen van de Here Jezus slavernij als institutie niet aan de kaak hebben gesteld en geen eis hebben geformuleerd dat die institutie zou worden ontbonden. Daaruit kunnen we echter leren dat het evangelie niet in de eerste plaats een opdracht tot sociale hervorming was, maar de boodschap van redding in Christus van het oordeel. Het zou ook niets hebben uitgemaakt, omdat de christelijke gemeente maar een zeer kleine minderheid in de Romeinse wereld was. De opheffing van die insitutie was in de eerste eeuw nog ondenkbaar. De gemeente van Christus verkondigde echter wel de beginselen die uiteindelijk de institutie van de slavernij hebben vernietigd, namelijk het beginsel van de volledige geestelijke gelijkwaardigheid van een slaaf en zijn meester.

Binnen de context van een christelijk gezin, kon Paulus aan slaven de opdracht geven om in alle dingen hun meesters te gehoorzamen. Daarbij gaat hij ervan uit dat een slaaf nooit een opdracht zou krijgen die in strijd zou zijn met de gehoorzaamheid aan Christus. Ook de dienst van een slaaf aan zijn meester is een dienst aan de Here. Voor de slaaf geldt dat zelfs de meest onbelangrijke verantwoordelijkheden – stofzuigen? – een waardigheid bezitten en gedaan kunnen worden “voor de Here.”

De plichten van heren tegenover hun slaven

Let wel, een slaaf had in de klassieke wereld geen rechten. Wat kan het dan betekenen dat christelijke heren aan hun slaven moeten geven “wat rechtvaardig en billijk is”? In een christelijk gezin heeft de slaaf wel degelijk rechten op grond van Gods wet in het Oude Testament. Of beter gezegd: in een christelijk gezin heeft een heer wel degelijk plichten tegenover zijn – rechteloze – slaaf. De slaveneigenaren in Kolosse moesten dus niet de Romeinse wet volgen die stelde dat een heer kon doen met zijn slaaf wat hij maar wilde, maar Gods wet, die vele principiële beperkingen oplegde aan het gezag van de heer – bijvoorbeeld dat de periode van de slavernij beperkt was, dat een slaaf mocht huwen en dat hij na enige tijd zelf kon beslissen of hij bij zijn heer wilde blijven.

RAV

DOWNLOAD ALS PDF – KLIK Christus is ons leven (2)

1 reactie

Een reactie plaatsen

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.